Adriaan's Analyses

Breekijzer voor een sociale wereld. Door Adriaan Meij.

Ta Poitrine

Door Adriaan Meij
Gepubliceerd op 29 augustus 2025
Aantal reacties: 0

Als onze lichamen elkaar aanraken zweeft mijn verdriet even weg. Jouw lichamelijke liefde is troost tegen verlies en zorgen. Het moet dat verlangen zijn geweest, ook al was ik nog een kind. In 1958, ik was 18, maakten twee vrienden, mijn jongere broer en ik een fietstocht van drie weken naar de Vogezen, om precies te zijn naar Colmar. Daar brachten we  in de bergen een week door op een grote kampeerboerderij. ’s Avonds was er elke avond, als het duister ingevallen was, een groot kampvuur waar we omheen zaten en liedjes zongen. Jongelui uit heel West-Europa.

  Daar hoorde ik voor het eerst “La Complainte de la Butte”  – De klacht van de heuvel – waarin de regels voorkomen  Je sens ta poitrine et ta taille fine, J’oublie mon chagrin. Dat liedje ben ik nooit vergeten. En het komt nu steeds terug. Het is  geschreven door Jean Renoir, zoon van de impressionistische schilder Pierre Auste Renoir. De klanken en de woorden borrelden dezer dagen weer op. Waarom weet ik niet, misschien uit ontroerd verlangen, iets wat mijn zintuigen raakt, een gemis, verlangen om aangeraakt te worden, ordinair gezegd: huidhonger. Het lied werd voor het eerst gezongen door Cora Vaucaire, oorspronkelijk in de film French Cancan (1955) die werd geregisseerd door Jean Renoir  “De maan is te bleek, plaats een diadeem op je rode haar.” Jean Renoir gebruikt de woorden zoals zijn vader penselen gebruikte, waardoor zijn “schilderij” een kleur en toon krijgt een schilderij van zijn vader waardig.  

Cora Vaucaire, haar echte naam is  Geneviève Collin, werd geboren in 1921 in Marseille. Ze kreeg de bijnaam “De Witte Dame van Saint-Germain-des-Prés”. Ze was al lang gewend om de teksten van Jacques Prévert op het podium te zingen. Zij was de eerste die “Les Feuilles mortes” creëerde, nog zo’n lied waar je bij wegkwijnt.

Ik voelde in die  tijd – 67 kaar terug – alleen maar dat ik het lied “mooi” vond, was meer geraakt door la poitrine dan de wezenlijke inhoud van het lied. Door het idee dat je haar poitrine überhaupt ooit zou kunnen voelen. Van Montmartre had ik nauwelijks gehoord.  Nu, nu ik het gevoel ken, nu hoor ik, de tijd ervoor nemend, veel meer, een liefdesverklaring, een aanklacht, een meditatie over de verhouding tussen schoonheid en armoede. En meer nog denk ik, nu ik verkinder, geliefden, wat let ons: heb lief. Montmartre, waar ik vorig jaar met mijn zoon en zijn gezin was, zet Renoir neer als harde werkelijkheid waar misère en verlangen elkaar kruisen. Dat is een eeuw later nog net zo.

De vrouw uit het lied is geen elegante dame uit de salons maar een bedelares met een versleten rokje, ondervoed. Zoals zij nu ook bij Albert Hein in Meppel bij de  ingang bedelt. Toch dicht Renoir haar als een prinses. In haar kwetsbaarheid schuilt schoonheid; in haar armoede majesteit wil het lied zingen. De liefde in het lied gaat gauw voorbij. Het aanraken van haar slanke taille, het voelen van haar boezem, verdrijft even het verdriet van de zanger. Maar zijn honger blijft.

De ontmoeting is erotisch en tragisch, een gevoel in een moment van hartstocht gedragen  door de wetenschap van vergankelijkheid. De liefde – hoe vluchtig en broos ook – beschermt, is mooi. Hoe melancholiek kan het zijn. Het is toch niet toevallig dat ik dezer dagen geraakt wordt door het lied dat ik een leven lang ergens in me meedroeg, nu ik leef in de tussentijd, met hetzelfde verlangen tot aanraken in een vluchtig moment als toen. In deze  fase van mijn leven tussen de zoete nostalgie van het heden en het onbekende land van dan: de mooiste tijd ooit.  

Adriaan Meij

La Complainte de la Butte

De klacht van de heuvel

Bovenaan de Rue Saint-Vincent, een dichter en een vreemdeling

hielden even van elkaar, maar hij zag haar nooit meer.

Hij componeerde dit lied, in de hoop dat zijn vreemdeling

het op een lentemorgen ergens op een straathoek zou horen.

De maan, te bleek, plaatst een tiara op je rode haar.

De maan, te rood, bespettert je doorboorde onderrok met glorie.

De maan, te bleek, streelt het opaal van je vervaagde ogen.

Prinses van de straat, welkom in mijn gewonde hart.

De trappen van de Butte zijn hard voor de armen;

De wieken van de molens beschermen geliefden.

Kleine bedelaar, ik voel je hand die mijn hand zoekt;

Ik voel je borst en je slanke taille, ik vergeet mijn verdriet.

Ik ruik op je lippen een koortsachtige geur

Van een ondervoed kind en onder jouw liefkozing,

voel ik een dronkenschap die me vernietigt.

De trappen van de Butte zijn hard voor de armen;

De wieken van de molens beschermen geliefden.

Maar nu zweeft hij, de maan draaft

Ook de prinses onder de maanloze hemel,

Ik roep tot de mist om mijn verdwenen droom!

Reageren

Wilt u reageren? Log dan eerst in of maak een account aan.

Login vergeten? Reset wachtwoord.

Breekijzer voor een sociale wereld. Door Adriaan Meij.