Adriaan's Analyses

Breekijzer voor een sociale wereld. Door Adriaan Meij.

Over recht en macht

Door Adriaan Meij
Gepubliceerd op 13 januari 2026
Aantal reacties: 0

Een kort essay over rechtsstaat, preventie en de vraag wanneer macht het recht vooruitloopt.

Auteursreflectie

Deze analyse is geschreven vanuit de overtuiging dat een kwetsbare rechtsorde voortdurend onderhoud vergt. In mijn leven als journalist heb ik oorlog, machtspolitiek en ideologieën zien verschuiven, maar één constante bleef: telkens wanneer recht ondergeschikt raakt aan politieke urgentie, verdampt vertrouwen. Niet onmiddellijk, niet spectaculair, maar sluipend — totdat het verschil tussen bescherming en repressie onduidelijk wordt.

Mijn betrokkenheid bij dit onderwerp is geen abstracte. Zij komt voort uit een levenslange ervaring met instituties die zichzelf presenteren als hoeders van vrijheid, maar in tijden van spanning geneigd zijn hun eigen rechtsstatelijke grenzen op te rekken. Denk aan de aandacht die ik bestede aan de positie van woonwagenbewoners toen zij volgens minister Gaardeniers begin jaren tachtig moesten integreren, zeg maar assimileren. Hun eigen levenswijze paste niet meer in de verzorgingsstaat. Of aan de positie van asielzoekers in de Nederlandse samenleving.       

De casus rond Arno van Kessel, het gebruik van voorlopige hechtenis, en de bredere context van Europese sancties tegen individuen raken aan dezelfde kernvraag: wanneer wordt preventie een vorm van bestraffing zonder proces? Mijn analyse verdedigt geen personen, ideologieën of opvattingen. Zij verdedigt een beginsel: dat in een democratische rechtsorde macht altijd vooraf begrensd moet worden door recht, en nooit andersom.

Dit is geen pleidooi voor naïef pacifisme. Het erkent dreiging, conflict en geopolitieke of lokale politieke realiteit. Maar het stelt daar één norm tegenover die niet onderhandelbaar is: dat vrijheid van meningsuiting, rechtsbescherming en onafhankelijke toetsing geen luxe zijn voor vredestijd, maar voorwaarden om escalatie te voorkomen. Waar afwijkende meningen als risico worden behandeld in plaats van als onderdeel van het publieke debat, verschuift vrede van rechtstoestand naar beheerstrategie.

Ik schrijf dit niet vanuit afstand, maar vanuit verantwoordelijkheid. Wie de macht van staten analyseert zonder ook de macht van de rechtsstaat te verdedigen, blijft steken in commentaar. Mijn inzet is normatief en bewust: vrede veronderstelt recht, en recht verliest zijn betekenis zodra het selectief wordt toegepast. Dat is geen ideologisch standpunt, maar een historische les — een die Europa zich, juist nu, niet kan permitteren te vergeten.

Dit is ook mijn rol als journalist: niet om te oordelen over schuld, maar het zichtbaar maken waar macht vooruitloopt op recht, en het publiek informeren zodat oordeel en verantwoording niet door gezag, maar door openbaarheid worden gevormd en gedragen. Juist daarom vind ik dat ook in de zaak rond Arno van Kessel c.s. een inhoudelijk proces onontkoombaar is. Niet omdat zijn opvattingen bescherming verdienen — die mogen scherp, omstreden of zelfs verwerpelijk worden gevonden — maar omdat de rechtsstaat zichzelf alleen geloofwaardig houdt door personen te beoordelen op concrete, toetsbare daden binnen een open strafproces.

De geschiedenis van het Grote Kampenbeleid laat zien wat er gebeurt wanneer de overheid, gedreven door bestuurlijke beheersbaarheid en veiligheid denken, ingrijpt zonder individuele, inhoudelijke toetsing: goedbedoelde preventie verwordt tot structureel onrecht. Wie die les serieus neemt, kan niet volstaan met langdurige voorlopige hechtenis en politieke framing, maar moet het oordeel overlaten aan de rechter in een inhoudelijk proces — niet ter bescherming van een persoon, maar ter bescherming van het recht zelf.

In hechtenis zonder proces

De Nederlandse ex-advocaat Arno van Kessel zit sinds 11 juni 2025 zonder proces in voorlopige  hechtenis in de zwaar beveiligde Penitentiaire Inrichting (PI) Vught. Hij is toen met  acht verdachten aangehouden.  De zaak is ondergebracht bij Rechtbank Noord-Nederland (locatie Leeuwarden) als “Strafzaak Barracuda”.

Van Kessel is een voormalig advocaat die in de media bekendheid kreeg in aan corona gerelateerde zaken en als “soeverein”.  Soevereinen is een verzamelnaam voor mensen en stromingen die het gezag van bestaande instituties fundamenteel betwisten. Zij erkennen de staat, zijn wetten en rechterlijke macht niet of slechts selectief en beschouwen zichzelf als autonoom, zelf-wetgevend en moreel soeverein.  Zij zijn anarchisten.  Van Kessel verwierf landelijke bekendheid als advocaat van corona-kritische cliënten en bestuurslid van Artsen voor Waarheid, een organisatie die misinformatie over COVID-19 en vaccinaties verspreidde. 

Van Kessel wordt ervan verdacht deel uit te maken van een crimineel netwerk, wapens en gevaarlijke stoffen te bezitten of te gebruiken, wellicht de intentie om geweld te gebruiken.  Volgens justitie zou dat netwerk mogelijk plannen hebben gesmeed voor geweld in samenhang met onder meer de NAVO-top.

Op 25 juni is de voorlopige hechtenis met 90 dagen verlengd.  Op 10 augustus 2025  was er een demonstratie bij de PI in Vught waarbij om vrijlating van Van Kessel werd gevraagd. Op 10 september is er in Leeuwarden een eerste pro forma zitting en op 4 december een tweede: alle verdachten blijven vastzitten.  Ergens in februari 2026 volgt een zitting tegen Van Kessel en vier andere verdachten. Drie anderen zijn vrijgelaten. De precieze ten laste legging met het dossier is er nog niet.

Van Kessel ontkent dat hij gevaarlijk is of deel uitmaakt van een terroristische organisatie en noemt de verdenkingen ongerechtvaardigd en overdreven. Hij stelt dat zijn detentie samenhangt met zijn juridische acties tegen de staat en kritiek op coronabeleid.  Chris-Jan Kamminga is de advocaat die Arno van Kessel bijstaat. Anderen staan de andere vier bij. Drie verdachten zijn vrijgelaten.

Autogesprek

Het zogenoemde autogesprek vormt het zwaartepunt van de verdenking in de zaak tegen Van Kessel en de vier anderen. Het gaat om een afgeluisterde conversatie tijdens een autorit, waarin op ruwe en speculatieve toon werd gesproken over politieke machtscentra, geweldsscenario’s en extreme middelen. Voor het Openbaar Ministerie geldt dit gesprek als indicatie dat sprake was van meer dan vrijblijvende praat: het zou wijzen op radicalisering en mogelijke bereidheid tot geweld.

De verdediging daarentegen benadrukt dat het gesprek context mist, geen concrete plannen, geen taakverdeling en geen vervolgstappen bevat, en dat het gaat om onverantwoordelijke, provocerende woorden zonder operationaliseerbare intentie. De kernvraag die boven het autogesprek hangt, is daarmee principieel: wanneer wordt roekeloze of choquerende meningsuiting strafrechtelijk relevant, en wanneer rechtvaardigt zij vrijheidsbeneming zonder dat daadwerkelijk handelen is vastgesteld?

Het Europese verband

Hoewel voorlopige hechtenis in een strafzaak en EU-sancties juridisch tot verschillende regimes behoren, delen zij één structureel kenmerk: ingrijpende vrijheidsbeperkingen worden opgelegd zonder voorafgaande inhoudelijke rechterlijke toetsing van individuele schuld.

De ontneming van vrijheid zonder proces is onderdeel van een veel grotere ontwikkeling in de EU waarbij personen en groepen hun vrijheid afgepakt wordt zonder proces. Ik bedoel de EU-sanctielijst. Dat is de EU Consolidated List of Persons, Groups and Entities subject to EU financial sanctions. Het  is een officiële lijst van personen, groepen en bedrijven waarop de Europese Unie financiële en andere beperkende maatregelen toepast. Doel is internationale vrede en veiligheid te bevorderen; schendingen van het internationaal recht tegen te gaan; mensenrechten te beschermen; democratie en rechtsstaat te verdedigen.  Dat zijn op zich nobele doelen. Aangezien de EU in oorlog is met Rusland lijkt het me niet vreemd  dat acties die de EU ondermijnen worden verboden. Er staan meer dan 2400 personen en entiteiten op de lijst. Er staan geen Nederlanders op.  

Ik noem een praktisch voorbeeld. De Europese Unie heeft Jacques Baud, een gepensioneerde Zwitserse kolonel en voormalig inlichtingen- en strategisch analist, op de sanctielijst geplaatst per 15 december 2025 binnen het sanctieregime tegen destabiliserende activiteiten in het kader van de oorlog in Oekraïne. Dat gebeurt onder de zogenoemde RUSDA-regeling.  De EU-raad heeft hem gesanctioneerd omdat hij volgens de EU: regelmatig optreedt als spreekbuis in pro-Russische media en propaganda-netwerkenconspiracy-achtige narratieven verspreidt over de oorlog in Oekraïne, waaronder beweringen dat Oekraïne zijn eigen invasie zou hebben veroorzaakt om NAVO-lid te worden — een claim die sterk lijkt op Russische desinformatie-narratieven; bijdraagt aan informatie-manipulatie en daarmee de stabiliteit en veiligheid van Oekraïne ondermijnt door wat de EU ziet als pro-Russische beïnvloedingsactiviteiten.  Concreet staat in de officiële EU-tekst dat hij: “handelingen of politieke maatregelen ondersteunt die toe te rekenen zijn aan de Russische Federatie en de stabiliteit of veiligheid van een derde land (Oekraïne) ondermijnen door informatie-manipulatie en interferentie.”

Politiek veroordeelt, niet de rechter

Formeel betreft het hier geen strafrechtelijke veroordeling, maar materieel functioneren deze sancties voor betrokkenen wél als een oordeel met strafachtig karakter. De EU-sanctielijst is geen rechterlijk instrument, maar een politiek machtsmiddel. Personen worden erop geplaatst door een besluit van de Raad van de Europese Unie, waarin de ministers van alle 27 lidstaten zitting hebben. Ook Nederland stemt daarin mee, doorgaans via de minister van Buitenlandse Zaken. Voor opname op de lijst is unanieme instemming vereist: elke lidstaat heeft vetorecht. Sancties komen daarmee tot stand zonder strafproces, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing en zonder bewezen schuld, en krijgen pas achteraf beperkt juridisch toezicht via het EU-Hof. Daarmee verschuift de grens tussen buitenlands beleid en rechtsstatelijke bescherming van individuen: wat bedoeld is als instrument tegen staten en regimes, kan ook individuele personen treffen — op basis van politieke beoordeling in plaats van strafrechtelijk oordeel.

Of EU-sancties terecht zijn, wordt primair beslist door politici, niet door rechters. De Raad van de EU bepaalt op basis van politieke en veiligheidsafwegingen wie wordt gesanctioneerd. Rechterlijke toetsing is pas achteraf mogelijk en beperkt zich tot procedurele zorgvuldigheid, niet tot schuld of waarheid. Daarmee is “terecht” in het sanctierecht geen juridische, maar een politieke categorie.

Veel juristen vinden het rechtsstatelijk problematisch dat politieke organen individuen kunnen treffen met ingrijpende sancties zonder rechterlijke veroordeling, zeker wanneer die sancties samenhangen met meningsuiting. Wat formeel geen straf heet, functioneert materieel vaak wél als straf — en dat schuurt fundamenteel met klassieke beginselen van vrijheid, proportionaliteit en scheiding der machten.

Sancties, macht en de rechtsstaat

Zodra meningsuiting, analyse of interpretatie op zichzelf kan bijdragen aan ingrijpende maatregelen tegen personen, verschuift het criterium van handelen naar denken — en dat is precies de grens die een rechtsstaat niet mag overschrijden.

Dat inmiddels meer dan 2.400 personen en organisaties op de EU-sanctielijst staan, terwijl geen enkele rechter vooraf inhoudelijk toetst of deze maatregelen gerechtvaardigd zijn, vormt een reëel en groeiend spanningsveld binnen de Europese rechtsorde. Formeel worden sancties gepresenteerd als instrument van buitenlands beleid, bedoeld om vrede, veiligheid en internationale normen te beschermen.

Materieel echter functioneren zij vaak als individuele strafmaatregelen: tegoeden worden bevroren, reizen onmogelijk gemaakt, reputaties beschadigd en maatschappelijke participatie ernstig beperkt. Het besluit daarover wordt genomen door de Raad van de Europese Unie, een politiek orgaan waarin ministers van lidstaten — ook Nederland — unaniem oordelen over wie als bedreiging wordt gezien. Daarmee is “terecht” geen juridische categorie, maar een politieke.

Juridische toetsing volgt pas achteraf, op initiatief van de gesanctioneerde zelf, en blijft doorgaans beperkt tot procedurele vragen: was het besluit gemotiveerd, niet evident disproportioneel, en gebaseerd op enige feitelijke grondslag. De rechter onderzoekt nadrukkelijk niet of de beschuldigingen inhoudelijk kloppen. In de juridische literatuur wordt dit steeds vaker aangeduid als ‘bestuurlijke bestraffing zonder strafrecht’ of ‘preventieve repressie’: een normalisering van uitzonderingsmacht die ooit bedoeld was voor staten en regimes, maar nu ook individuele personen treft — soms op basis van uitingen, analyses of politieke opvattingen. Juist daar wringt het. Wanneer meningsuiting of interpretatie van geopolitieke feiten kan bijdragen aan plaatsing op een sanctielijst, vervaagt het onderscheid tussen daad en opinie, tussen gevaar en afwijking. Dat dit debat politiek nauwelijks zichtbaar is, terwijl het juridisch scherp wordt gevoerd, is veelzeggend.

Het laat zien hoe veiligheidslogica en morele urgentie de klassieke zelfbinding van de rechtsstaat onder druk zetten. De fundamentele vraag is dan ook niet of de EU zich mag verdedigen, maar hoe ver een democratische rechtsorde mag gaan in het preventief uitsluiten van individuen zonder voorafgaande rechterlijke waarheidsvinding — en wat dit betekent voor vrijheid, vertrouwen en vrede op de lange termijn. Ik denk dat het recht hier het primaat moet hebben, niet de macht.

Eerst gerechtelijke beoordeling

Als Europa geloofwaardig wil blijven als gemeenschap van recht en vrijheid, kan het zich niet veroorloven dat politieke organen individuen treffen met ingrijpende sancties zonder voorafgaande rechterlijke beoordeling, zeker niet wanneer die maatregelen samenhangen met meningsuiting, analyse of interpretatie van politieke gebeurtenissen.

Vrijheid van meningsuiting is geen bijzaak van de democratische rechtsorde, maar haar voorwaarde: juist afwijkende, ongemakkelijke of onwelgevallige opvattingen moeten beschermd worden tegen politieke macht. Daarom zou de Europese Unie expliciet moeten vastleggen dat meningsuiting op zichzelf nooit grond kan zijn voor sancties, en dat sancties tegen individuen uitsluitend gerechtvaardigd zijn wanneer er aantoonbare, concrete en op handelingen gebaseerde betrokkenheid bestaat bij geweld, dwang of ernstige ondermijning van de rechtsorde. En dat ter beoordeling door de rechter, niet door de politiek.

Deze drempel hoort niet door ministers te worden bewaakt, maar door een onafhankelijke rechterlijke of quasi-rechterlijke toetsing vooraf, hoe beperkt ook, waarin proportionaliteit, feitelijke onderbouwing en fundamentele rechten centraal staan. Zo’n toets is geen belemmering van buitenlands beleid, maar een vorm van rechtsstatelijke zelfbinding: een bewuste keuze om macht te temmen, juist in tijden van dreiging. Europa hoeft zijn waarden niet te verdedigen door ze tijdelijk op te schorten. Integendeel: alleen door vrijheid van meningsuiting onvoorwaardelijk te beschermen, ook wanneer zij schuurt, kan vrede meer zijn dan een strategisch doel — namelijk een rechtstoestand waarin verschil niet verdacht wordt, maar verdragen.

De vergelijking met Trumpisme

De vergelijking met Trumpisme betreft nadrukkelijk geen gelijkstelling van doelen of ernst, maar een overeenkomst in structuur: het moment waarop politieke macht zichzelf bevoegd verklaart te handelen zonder voorafgaande juridische begrenzing. Hoewel EU-sancties tegen individuen en Trumps inval in Venezuela op het eerste gezicht onvergelijkbaar lijken, raken zij aan hetzelfde principiële probleem: de verschuiving van recht naar macht. In beide gevallen verklaart de politiek zichzelf bevoegd om te straffen zonder voorafgaande onafhankelijke rechterlijke toetsing — hetzij via sanctielijsten met vergaande gevolgen voor burgers, hetzij via militair optreden zonder VN-mandaat.

Het verschil is er één van schaal en middel, niet van beginsel. Waar het recht niet langer vooraf begrenst maar achteraf legitimeert, ontstaat een gevaarlijk precedent. Wie Trumps machtsdenken veroordeelt maar zwijgt over het ontbreken van juridische waarborgen bij EU-sancties, hanteert een selectieve rechtsopvatting. Een democratische rechtsorde onderscheidt zich niet door de juistheid van haar doelen, maar door haar bereidheid macht te onderwerpen aan recht — ook, en juist, wanneer dat politiek ongemakkelijk is.

Mijn vriend stelt dat conflicten en oorlogen alleen beëindigd kunnen worden wanneer partijen bereid zijn de werkelijkheid van de ander serieus te nemen. Begrip betekent daarbij geen instemming, maar erkenning van feiten en motieven als noodzakelijke basis voor bemiddeling en vrede. Hij benadrukt het onderscheid tussen het strafrecht — waarin rechters op basis van wet en bewijs oordelen over concrete overtredingen — en het publieke debat, waarin burgers vrij moeten zijn om het oneens te zijn met overheidsbeleid, ook wanneer dat beleid raakt aan oorlog, geopolitiek of ingrijpende maatregelen zoals tijdens de coronacrisis. Het uitspreken van afwijkende of impopulaire standpunten mag volgens hem niet gelijkgesteld worden aan schuld of bedreiging.

Tegelijkertijd uit mijn vriend diepe zorgen over de groeiende inzet van sancties, surveillance en censuur binnen Europa, vaak zonder dat betrokkenen zich inhoudelijk kunnen verdedigen. Hij waarschuwt dat een rechtsstaat zijn legitimiteit verliest wanneer kritiek op machthebbers — nationale leiders, Europese instituties of invloedrijke private actoren — wordt behandeld als een veiligheidsrisico zonder aantoonbare voorbereiding van geweld.

Ik erken echter dat staten ook een reële verantwoordelijkheid dragen om burgers te beschermen tegen terrorisme en ernstige ontwrichting, en dat preventief ingrijpen soms noodzakelijk kan zijn. De kernvraag blijft daarom waar de grens ligt: niet bij het uiten van afwijkende meningen of het voeren van rechtszaken, maar pas daar waar concrete, verifieerbare aanwijzingen bestaan voor strafbaar geweld. Juist die scheidslijn — tussen kritiek en misdaad, tussen debat en dreiging — is de lakmoesproef voor een volwassen democratische rechtsorde. En daarover spreekt het recht zich uit. Wie Trumps machtsspel kritiseert heeft in de EU ook nog werk te doen.

 Disclaimer: Dit essay betreft een journalistieke en normatieve analyse van rechtsstatelijke beginselen. Genoemde personen worden uitsluitend genoemd in de context van openbare informatie en verdenkingen; aan hun schuld of onschuld wordt geen oordeel verbonden.

Reageren

Wilt u reageren? Log dan eerst in of maak een account aan.

Login vergeten? Reset wachtwoord.

Breekijzer voor een sociale wereld. Door Adriaan Meij.