We leven in onrustige tijden. Daarin richt de aandacht zich sterk op macht en eigenbelang en nationalisme. Ik ben na WOII opgevoed vanuit een besef van morele verantwoordelijkheid. Niet alleen voor mijzelf en de mijnen, maar voor eenieder. Vanuit die achtergrond vormen zich mijn gedachten. Het Kabinet Jetten veroorzaakt een historische trendbreuk: de ontwikkelingshulp wordt gehalveerd. Na de Tweede Wereldoorlog richtte Nederland zich in de eerste plaats op de eigen wederopbouw; ontwikkelingshulp in moderne zin bestond nog nauwelijks. Pas in de jaren vijftig, onder invloed van dekolonisatie en de opkomst van multilaterale samenwerking, ontstond het besef dat welvaart en stabiliteit mondiale vraagstukken waren. Dat is de tijd van mijn opleiding op het Hervormd Opleidingscentrum Nieuw Ruimzicht in Doo0rn waar ik op het internaat zat.
Daar kwamen hoogleraren spreken op de “Bovenclub” over onder meer grote wereldvraagstukken en de armoede in de wereld. Er was veel ruimte voor sport, spel, muziek. Eens in de veertien dagen gebeurde er iets dat wij jongeren als ongekend modern ervoeren. Vanuit Amsterdam kwam een dansleraar, en uit Zeist een bus vol meisjes van het Hernhutter internaat. Ineens stonden wij daar, jongens van Nieuw Ruimzicht, tegenover meisjes die tot dan toe een andere wereld bewoonden. Wij hadden dansles, vormden paren, dansten. Het was opwindend, alsof er heel even een deur openging naar een grotere wereld waarin de scheidslijnen minder vast lagen. Leven was kansrijk. Bouwen was een kernbegrip.
In die tijd kreeg ik aandacht voor ontwikkelingshulp. De armoede in de wereld bestrijden. Vanaf circa 1960 groeide de Nederlandse ontwikkelingshulp snel uit tot een structureel onderdeel van het beleid, gedragen door een combinatie van morele overtuiging, internationale verantwoordelijkheid en economische rationaliteit. In de jaren tachtig bereikte Nederland met circa 1% van het nationale inkomen een internationaal uitzonderlijk niveau, ruim boven de door de Verenigde Naties nagestreefde norm van 0,7%.[1]
Onder de kabinetten-Lubbers kreeg deze inzet het karakter van een breed gedragen moreel project; onder Kok verschoof de nadruk naar effectiviteit, goed bestuur en Europese inbedding.[2] In de daaropvolgende periode, onder Balkenende, werd ontwikkelingssamenwerking sterker verbonden met nationale belangen, waaronder veiligheid en economische kansen, terwijl onder Rutte een verdere herdefiniëring plaatsvond richting een geïntegreerd beleid van ‘hulp en handel’ en een lager uitgavenniveau.[3] Zo weerspiegelt de ontwikkeling van de Nederlandse ontwikkelingshulp sinds 1945 niet alleen veranderende mondiale verhoudingen, maar ook een verschuiving in het zelfbeeld van Nederland: van gidsland naar pragmatische speler in een complexe wereldorde.
Historische breuk met verleden
Het kabinet-Jetten kiest voor een duidelijke koerswijziging in de ontwikkelingssamenwerking. Waar Nederland decennialang de internationale norm van 0,7% van het nationale inkomen nastreefde, wordt deze koppeling losgelaten en verschuift het beleid naar een lager en flexibeler budget, met meer nadruk op veiligheid, migratie en economische belangen. Het aandeel van ontwikkelingshulp daalt daardoor van circa 0,6% van het BNI in 2024 naar ongeveer 0,45% in de jaren na 2026, ruim onder de internationale norm.

Eindnoten
[1] OECD, Development Co-operation Report (diverse jaren); United Nations, resolutie inzake de 0,7%-norm voor Official Development Assistance (1970). (“Each economically advanced country will progressively increase its official development assistance … to reach a minimum of 0.7% of its gross national product.”)
[2] WRR, Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt (2010); Ministerie van Buitenlandse Zaken, beleidsnota’s ontwikkelingssamenwerking jaren 1990.
[3] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen (2013); OECD Data, “Net ODA as a percentage of GNI (Netherlands)”, geraadpleegd via Our World in Data.

In mijn kindertijd zag de wereld er fundamenteel anders uit dan nu. Na de Tweede Wereldoorlog lag Europa economisch en maatschappelijk in puin. Uit welbegrepen eigen belang, maar ook om Europa weer op de been te helpen trokken de Amerikanen de portemonnee.
Tussen 1948 en 1952 lanceerden de Verenigde Staten het Marshall Plan, officieel het European Recovery Program, waarmee circa 13 miljard dollar aan hulp werd verstrekt aan West-Europese landen.[1] Omgerekend naar de omvang van de Amerikaanse economie betekende dit een jaarlijkse inzet van ongeveer 1,5 tot 2 procent van het bruto binnenlands product — een niveau dat in latere decennia door geen enkel land structureel is geëvenaard in ontwikkelingshulp.[2] . In die tijd was de VS zeer vrijgevig.
Deze hulp was geen louter altruïstisch gebaar, maar berustte op een samenhang van motieven. In geopolitiek opzicht diende het plan om de invloed van de Sovjet-Unie in een verarmd Europa in te dammen; economisch bood het de Verenigde Staten nieuwe afzetmarkten voor hun industriële productie; en ideologisch weerspiegelde het de overtuiging dat duurzame vrede alleen mogelijk is op basis van economische stabiliteit en groei.[3] In die zin vormde het Marshallplan niet alleen de basis voor het snelle herstel van West-Europa, maar ook het prototype van moderne ontwikkelingssamenwerking: hulp als instrument waarin moraal, macht en markt onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Toen Nederland het na WOII keihard nodig had was er niemand die zich verzette teen de omvangrijke hulp die de VS leverde. Nu zijn er nog evenveel volkeren die ontwikkelingshulp keihard nodig hebben. Maar nu geeft Nederland niet thuis. Wie, zoals ik, zijn journalistieke vorming vond in de jaren zestig, kon niet om het internationale perspectief heen. De wereld lag open, maar toonde tegelijk haar ongelijkheid in rauwe cijfers en schrijnende beelden.
De kerken houden vast aan 0, 7 %
Ontwikkelingssamenwerking was geen bijzaak, maar een moreel kompas. Dat besef is mij altijd bijgebleven, ook al heb ik mij in de loop van mijn leven losgemaakt van een strikt kerkelijk kader en ben ik eerder christelijk-humanistisch gaan denken. Juist vanuit die houding — eerst globaal, dat is universeel, dan pas lokaal — begrijp ik de stem van de kerken nog altijd goed. Wanneer zij vasthouden aan de norm van 0,7% van het nationale inkomen voor ontwikkelingshulp, spreken zij niet alleen als institutie, maar als dragers van een eeuwenoude traditie waarin rechtvaardigheid niet ophoudt bij de grens. Die norm is in hun ogen geen politiek streefgetal, maar een ondergrens van beschaving.
Tegelijk zie ik hoe de politieke werkelijkheid zich daarvan verwijdert. Het nationale belang, de druk van migratie, de roep om veiligheid — het zijn legitieme zorgen, maar zij verschuiven het perspectief naar binnen. Waar vroeger de vraag was wat wij als rijk land verschuldigd zijn aan de wereld, lijkt nu steeds vaker de vraag te domineren wat de wereld voor óns betekent.
Voor mij blijft de volgorde echter wezenlijk: wie de wereld eerst serieus neemt, zal ook zijn eigen samenleving anders inrichten. Ontwikkelingssamenwerking is dan geen sluitpost, maar een toetssteen. Niet omdat het moet van verdragen of kerken, maar omdat het iets zegt over wie wij willen zijn.
Eindnoten
[1] OECD, The Marshall Plan: Lessons Learned for the 21st Century (2008); U.S. Department of State, Office of the Historian, “The Marshall Plan, 1948–1952”.
[2] Maddison Project Database; berekeningen op basis van historisch BBP van de Verenigde Staten en totale Marshallhulp; zie ook Barry Eichengreen, The European Economy since 1945 (2007).
[3] Toespraak van George C. Marshall; Tony Judt, Postwar: A History of Europe Since 1945 (2005).
In Le Défi Américain(1966) stelde Jean-Jacques Servan-Schreiber dat Europa in de naoorlogse decennia het risico liep economisch en technologisch overvleugeld te worden door de Verenigde Staten. Zijn analyse richtte zich niet op militaire macht, maar op de structurele voorsprong van Amerikaanse bedrijven in onderzoek, management en schaalgrootte, gecombineerd met hun vermogen om wereldwijd kapitaal en kennis te mobiliseren.[1]
Europa, zo betoogde hij, bleef versnipperd, nationaal georganiseerd en daardoor minder innovatief. De enige adequate reactie zou een versnelling van Europese integratie en gezamenlijke investeringen in onderwijs, technologie en industrie zijn.[2] Terugkijkend constateren veel historici en economen dat Europa deze uitdaging slechts gedeeltelijk heeft beantwoord. Enerzijds heeft de Europese integratie geleid tot een grote interne markt, een sterke industriële basis en succesvolle multinationals in sectoren als luchtvaart (Airbus) en industrie.[3] Anderzijds wijzen analyses erop dat Europa structureel is achtergebleven in sleutelgebieden van de nieuwe economie, met name digitale technologie, platformbedrijven en risicokapitaal, waar de dominantie van Amerikaanse (en in toenemende mate Chinese) ondernemingen groot bleef.[4] In die zin kan worden gesteld dat Servan-Schreibers waarschuwing niet onterecht was: Europa heeft de Amerikaanse uitdaging wel herkend en deels beantwoord, maar niet volledig weten in te halen.
Het is dan ook zeer terecht dat de VS in deze tijd onomwonden duidelijk maakt aan Europa dat het zelf de uitdaging moet aangaan om in de wereld een relevante rol te spelen. Omdat dit besef in een democratie van onderop moet opgebouwd worden staan de Europese landen voor een enorme uitdaging om de bevolkingen mee te krijgen. Er moet gewerkt worden.
Sinds mijn eerste artikelen over ontwikkelingssamenwerking in de jaren zestig, en mijn reizen langs landen waar afhankelijkheid geen abstract begrip maar dagelijkse realiteit was, heb ik het Westen altijd gezien als een gemeenschap die – hoe onvolmaakt ook – verantwoordelijkheid droeg voor een grotere wereld.
Tegen die achtergrond treffen de uitspraken van Donald Trump mij des te sterker. Wanneer hij zegt: “If they don’t pay, I’m not going to defend them” en “You got to pay your bills,”[1] klinkt daarin een wereldbeeld door waarin solidariteit plaatsmaakt voor een rekensom. Dat is een fundamentele breuk met de geest van het Marshallplan, waarmee de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog Europa niet als klant maar als partner benaderden: niet omdat Europa “betaalde”, maar omdat wederopbouw werd gezien als een gedeeld moreel en strategisch belang.[2]
Natuurlijk was ook dat plan niet vrij van eigenbelang – het versterkte de Amerikaanse invloed en opende markten – maar het droeg een visie in zich van wederkerigheid die verder ging dan de kasboek-logica. Trumps herhaalde klacht dat “We protect them. They don’t protect us”[3] markeert daarom niet alleen een politieke koerswijziging, maar ook een verschuiving in beschavingsdenken: van een wereld waarin macht en verantwoordelijkheid nog samen konden vallen, naar een orde waarin bescherming een dienst wordt en afhankelijkheid een schuld.
Dat is niet mijn wereldbeeld. Juist voor Europa ligt hier, zo bezien, niet alleen een strategische opgave, maar ook een morele keuze: wil het opnieuw leren staan op eigen benen, zonder het idee van wederzijdse verbondenheid prijs te geven? Europa moet dus aan de bak. Diezelfde vraag ligt besloten in het debat over ontwikkelingssamenwerking: blijft solidariteit een gedeelde opdracht – zoals ooit verwoord in de 0,7%-norm – of verwordt ook zij tot een transactie, waarin hulp slechts nog gerechtvaardigd is zolang zij direct rendeert voor de gever?
Wie zich afvraagt waar de middelen voor ontwikkelingssamenwerking vandaan moeten komen, komt al snel uit bij de belasting- en premiequote: het aandeel van de nationale economie dat via de overheid wordt herverdeeld. In Nederland ligt dit rond de veertig procent van het bruto binnenlands product. Dat cijfer laat zien dat ontwikkelingshulp – zelfs wanneer zij de internationale norm van 0,7% benadert – geen afzonderlijke last is, maar een bescheiden keuze binnen een veel groter geheel van collectieve bestedingen. De vraag is daarom niet zozeer of het kan, maar of wij het willen. In historisch perspectief blijkt dat in 1980, toen Nederland 1% van het BBP in Ontwikkelingssamenwerking investeerde, de belasting- en premiequote op ruim 43% lag, ruim 3% hoger dan in 2026. Op het BBP van 2025 zou verhoging van de quote ruim €31 miljard opleveren.
Wie de belastingdruk op de hoogste inkomens vergelijkt tussen 1980 en nu, ziet een opvallende verschuiving. Waar het toptarief rond 1980 nog opliep tot ver boven de zeventig procent, ligt het vandaag rond de vijftig procent. Dat verschil markeert meer dan een technische aanpassing: het weerspiegelt een verandering in denken over rechtvaardigheid, arbeid en kapitaal. In de jaren tachtig gold een hoge marginale druk als vanzelfsprekend onderdeel van solidariteit; tegenwoordig wordt zij afgewogen tegen internationale concurrentie en economische prikkels.
Wie de belastingdruk op hoge inkomens over de afgelopen veertig jaar beziet, kan moeilijk ontkennen dat Nederland een andere koers is gaan varen. Waar rond 1980 marginale tarieven van zeventig procent en meer als vanzelfsprekend golden binnen een sterk op herverdeling gerichte verzorgingsstaat, ligt dat niveau tegenwoordig rond de vijftig procent. Die daling weerspiegelt niet alleen fiscale hervorming, maar ook een bredere politieke verschuiving. Nederland heeft zich, in lijn met veel West-Europese landen, verwijderd van het klassieke sociaaldemocratische model waarin gelijkheid en collectieve verantwoordelijkheid het uitgangspunt vormden, en is opgeschoven naar een economisch model waarin marktwerking, internationale concurrentie en individuele prikkels zwaarder wegen.
Toch is het te eenvoudig om te spreken van een volledige “verrechtsing”. De belasting- en premiequote blijft internationaal gezien relatief hoog, en publieke voorzieningen – van zorg tot onderwijs – nemen nog altijd een groot deel van de economie in beslag. Wat zich eerder heeft voltrokken, is een herijking: Nederland is minder het uitgesproken linkse gidsland van de jaren zeventig en tachtig, maar ook geen uitgesproken liberaal-minimalistische staat geworden. Het beweegt zich in een middenpositie, waarin solidariteit en marktdenken voortdurend met elkaar in spanning staan. Juist in dat spanningsveld wordt zichtbaar dat politieke keuzes niet verdwijnen, maar verschuiven: niet óf solidariteit, maar hoeveel – en voor wie, nationaal én mondiaal.
Eindnoten
[1] Uitspraken van Donald Trump tijdens verkiezingscampagnes en NAVO-discussies, o.a. Reuters en PBS (2016–2025).
[2] Zie o.a. George C. Marshall, Harvard Speech (5 juni 1947), en OECD/US State Department analyses van het European Recovery Program.
[3] Analyse van Trumps NAVO-retoriek, o.a. Cato Institute, Making Europe Pay for Its Own Defense.
Syp Wynia, oud redacteur bij Elsevier en met een eigen publicatie Wynia’s Week, https://www.wyniasweek.nl heeft het gemunt op het zogenaamde NGO-complex. Daarover refereert hij aan de rechtse opiniemaker Wouter Roorda. Die schat dat er jaarlijks minstens een miljard euro aan belastinggeld gaat naar op het oog uiteenlopende clubs als Oxfam-Novib en Milieudefensie, die volgens hem in de praktijk nauw met elkaar verweven zijn, allemaal opkomen voor het klimaat, asielmigratie en de multiculturele samenleving en ageren tegen een land als Israël. Het is algemeen bekend dat Nederland een deel van de ontwikkelingssamenwerking via NGO’s laat5 lopen.
In het Nederlandse debat wordt met enige regelmaat gesproken over een zogenoemd “NGO-complex”, waarmee wordt gesuggereerd dat een cluster van maatschappelijke organisaties, deels gefinancierd met overheidsgeld, als een samenhangend ideologisch blok opereert.
Feitelijk is het beeld genuanceerder. Nederland besteedt jaarlijks miljarden aan ontwikkelingssamenwerking, waarvan een deel via niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) wordt uitgevoerd; binnen specifieke subsidieprogramma’s voor het maatschappelijk middenveld gaat het om bedragen in de orde van honderden miljoenen tot ruim een miljard euro over meerdere jaren.[1]
Organisaties zoals Oxfam Novib en Milieudefensie werken regelmatig samen in coalities rond thema’s als klimaat, armoedebestrijding en mensenrechten, wat leidt tot inhoudelijke overlap in standpunten.[2] Tegelijkertijd zijn het juridisch zelfstandige instellingen met uiteenlopende missies, financieringsbronnen en achterbannen. Wetenschappelijke en beleidsanalyses beschouwen NGO’s doorgaans als onderdeel van het maatschappelijk middenveld, met functies variërend van hulpverlening tot beleidsbeïnvloeding en kennisontwikkeling.[3] Kritiek richt zich onder meer op de afhankelijkheid van subsidies en de vraag in hoeverre publieke middelen worden ingezet voor politieke beïnvloeding, terwijl verdedigers wijzen op hun rol in het agenderen van internationale vraagstukken en het versterken van democratische controle.[4] De term “NGO-complex” moet daarom vooral worden gezien als een normatieve kwalificatie binnen een breder politiek debat, eerder dan als een empirisch vastgestelde structuur.
Wynia schetst een eenzijdig beeld. Waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de genoemde organisaties een belangrijke rol spelen in het beschermen van mensen en gemeenschappen in grote nood.
Uitgaven Ontwikkelingssamenwerking 2023

De Nederlandse overheid gaf in2023 €7,2 miljard uit aan ontwikkelingssamenwerking, Dat is 0,7% van het BBP`. Daarvan gaat 24% via NGO”s omdat dit efficiënt is. Voor 2026–2030 wordt juist ongeveer €1 miljard bezuinigd op NGO-subsidies. Er is niet één homogeen “NGO-complex” per jaar, maar een verspreid subsidieveld over meerdere jaren en programma’s
Eindnoten
[1] Ministerie van Buitenlandse Zaken, Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld 2021–2025; Rijksbegroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (diverse jaren).
[2] Zie bijvoorbeeld gezamenlijke beleidsvoorstellen en rapporten van Oxfam Novib en Milieudefensie inzake klimaat en fiscale rechtvaardigheid; samenwerkingsverbanden binnen subsidieprogramma’s.
[3] WRR, Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt (2010); OECD, Development Co-operation Report (diverse jaren).
[4] Zie voor kritiek en debat o.a. journalistieke analyses in Nederlandse media (bijv. EW Magazine) en parlementaire discussies over de rol van NGO’s; voor een verdediging van hun rol: beleidsdocumenten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en internationale NGO-netwerken.
Om een voorbeeld te geven focus ik op een van de organisaties Oxfam-Novib richt zijn middelen in hoofdzaak op drie samenhangende programmalijnen. In de eerste plaats investeert de organisatie in klimaatbestendige bestaanszekerheid, met nadruk op kleinschalige landbouw, toegang tot land en water en voedselzekerheid in kwetsbare regio’s.
Daarnaast ligt een belangrijk accent op economische en sociale empowerment, waaronder microfinanciering, onderwijs en programma’s gericht op gendergelijkheid en de positie van vrouwen en jongeren.
Ten derde vormt humanitaire hulp en wederopbouw een kernactiviteit, waarbij in crisissituaties directe hulp (voedsel, water, sanitatie) wordt gecombineerd met herstel van lokale economieën. Deze drie lijnen zijn ingebed in een bredere strategie die armoede bestrijdt via structurele verandering van ongelijkheid en machtsverhoudingen.^1
Dit gaat dus over hulp aan mensen die in grote nood zijn geraakt niet door hun eigen handelen, maar door de klimaatramp met overstromingen etcetera die het industriele westen en vervuilende China hebben veroorzaakt.
Eindnoten
In mijn jeugd begin jaren zestig ontstond in feite een nieuw moreel en politiek project: het idee dat welvaart, kennis en verantwoordelijkheid niet ophouden bij de nationale grens. In de context van dekolonisatie en de Koude Oorlog kreeg ontwikkelingssamenwerking een dubbele betekenis. Enerzijds was het een uitdrukking van solidariteit en rechtvaardigheid – het besef dat armoede geen natuurgegeven is, maar mede voortkomt uit historische verhoudingen. Anderzijds was het ook een geopolitiek instrument: hulp, handel en invloed liepen vaak door elkaar. Toch ontstond in die beginjaren een breed gedragen overtuiging dat structurele achterstanden bestreden konden worden via investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, landbouw en instituties.
Wat is ermee bereikt? Het antwoord is gelaagd. In harde cijfers is de vooruitgang onmiskenbaar: de extreme armoede wereldwijd is sinds 1980 spectaculair gedaald; kindersterfte is meer dan gehalveerd; toegang tot onderwijs en schoon drinkwater is voor honderden miljoenen mensen verbeterd. Landen als Zuid-Korea, Vietnam en delen van India zijn mede dankzij internationale samenwerking opgeklommen van armoede naar middeninkomensniveau. Tegelijk zijn er duidelijke beperkingen: hulp alleen creëert geen ontwikkeling, en in sommige regio’s – met name delen van Sub-Sahara Afrika en conflictgebieden – blijven afhankelijkheid, fragiele staten en ongelijkheid hardnekkig bestaan. Bovendien is er terechte kritiek op bureaucratisering, versnippering en de rol van NGO’s en donoren.
Waarom moet het doorgaan? Omdat de kernvraag nog steeds actueel is: hoe organiseren we een wereld waarin geboorteplaats niet het levenslot bepaalt? In een tijd van klimaatverandering, migratiestromen en geopolitieke verschuivingen is ontwikkelingssamenwerking minder een kwestie van liefdadigheid geworden en meer van gedeeld belang. Investeren in voedselzekerheid, onderwijs, stabiliteit en klimaatadaptatie elders is ook investeren in de leefbaarheid en veiligheid hier. De les van de afgelopen decennia is daarbij niet dat hulp moet verdwijnen, maar dat zij moet veranderen: minder top-down, meer lokaal gedragen; minder versnipperd, meer gericht op structurele systemen; minder afhankelijkheid, meer partnerschap.
In die zin kun je stellen: ontwikkelingssamenwerking is geen afgerond project, maar een voortdurend leerproces – een poging om rechtvaardigheid, eigenbelang en mondiale verbondenheid met elkaar in balans te brengen. Juist daarom blijft zij, ondanks alle kritiek, een noodzakelijk onderdeel van een beschaafde en vooruitziende wereldorde.
Adriaan Meij – 20 maart 2026
Wilt u reageren? Log dan eerst in of maak een account aan.
Login vergeten? Reset wachtwoord.